Groningen

De stad Groningen is al heel oud. Hoe oud weet niemand precies, maar het is zeker dat er al in de eerste eeuwen van onze jaartelling mensen woonden op de plek waar nu de stad Groningen ligt. De plek was gunstig gekozen: op het einde van de Hondsrug, aan weerszijden begrensd door moerassige laagvlakten. Vanuit het zuiden was de nederzetting bereikbaar via de heerweg over de Hondsrug. In het noorden lagen de vruchtbare kleistreken. Via de Drentse Aa, die aan de westkant dicht langs het huidige Groningen stroomde en het Reitdiep, was verkeer van en naar de Friese kleistreken en naar (en over) zee mogelijk. Groningen wordt voor het eerst met name genoemd in 1040. De Duitse koning Hendrik 111 schonk in dat jaar de 'villa Gruoninga' met de bijbehorende rechten van tolheffing en muntsl5g aan de bisschop van Utrecht. Namens deze zetelde in Groningen een prefect, een beherend en rechtsprekend stadhouder. Als noordelijkste steunpunt van het Utrechtse diocees had Groningen strategische betekenis en de ligging tussen kleilanden en zandgronden maakte haar tot een logische marktplaats.

Stadsstaat

In de 13e eeuw streefden de Groningers onder leiding van de grote kooplieden, die tot in Engeland en de Oostzeelanden handel dreven, grotere onafhankelijkheid na. Er ontstond een stadsbestuur, dat de toegang tot de stad ontzegde. Uit de conflicten met de bisschop kwamen de Groningers zegevierend tevoorschijn. De 15e eeuw werd voor Groningen de "Gouden Eeuw". Zij voelde zich een vrije Rijksstad en speelde niet alleen de baas in de Groninger Ommelanden, maar ook in Friesland, waar centraal gezag ontbrak. Het graan, dat in de met de stad verbonden gebieden werd verbouwd, mocht alleen op de Groninger markt verkocht worden.
De vestiging in de stad van een rechtbank, waarbij alleen hoger beroep van alle in de omliggende streken gewezen vonnissen kon worden aangetekend, onderstreepte de Groninger machtspositie.

Peerd van Ome Loeks

Stad en Ommelanden

Aan de trotse stadstaat kwam in de 16e eeuw een einde. Achtereenvolgend onderwierp Groningen zich aan graaf Edzard van Oostfriesland, vervolgens aan Karel van Gelre en tenslotte aan Keizer Karel V. Haar voorrechten boven de Ommelanden wist de stad echter te behouden, zoals het alleenrecht op handel. Alle Ommelander producten moesten naar de markt in Groningen. Vreemden, die hun waren buiten de stad aan de man wilden brengen, liepen de kans door Stadse ambtenaren te worden aangehouden. Dat kon hen op verbeurdverklaring van schip en waren, alsmede op een forse boete komen te staan. De Ommelanders voelden zich door dit stapelrecht vernederd. Soms felle twisten waren het gevolg. De Ommelanden sloten zich aan bij de opstand van Willem van Oranje tegen de Spanjaarden. Groningen hoopte op steun van Filips II en bleef katholiek. Hieraan kwam in 1594 een einde, toen Prins Maurits de stad tot overgave dwong. Groningen word samen met de Ommelanden als de provincie Stad en Lande onderdeel van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Nieuwe Tijd

Het begin van de 17e eeuw leek een nieuwe bloeitijd voor de stad te worden. De stad werd van nieuwe vestingswerken voorzien, waarbij haar oppervlak vrijwel verdubbelde. Bij het verdrag van overgave in 1594 was Groningen bevestigd in haar rechtstreeks gezag over het Oldambt en het Gorecht. In 1619 kocht de stad de heerlijkheid Westerwolde met het oude kloostercomplex van Ter Apel. De verveningen brachten nieuwe bedrijvigheid, doordat alle turf langs de door de stad gegraven kanalen via Groningen moest worden verscheept. In 1614 word de Groninger Academie gesticht, zodat de stad naast handels- en bestuurscentrum, ook een centrum van wetenschap werd.

Bommen Berend

De nieuwe grachten en wallen werden in 1672 op de proef gesteld. Tijdens het 'rampjaar' drong de bisschop van Münster, Bernhard van Galen (die, omdat hij zoveel bommen op de stad afvuurde, door de Groningers 'Bommen Berend' genoemd) met zijn leger door tot aan de stadsmuren. Na een vruchteloos beleg droop hij op 28 augustus af; de Groningers hielden er hun eigen 'nationale feestdag' aan over. In deze benauwde tijd bleken Stad en Ommelanden schouder aan schouder te kunnen staan. Maar de bisschop van Münster was nauwelijks vertrokken of het geruzie nam weer een aanvang.

Wapen van de Stad Groningen

Wapen van Groningen Stad

19e Eeuw

In de Franse tijd kwam de provinciale politiek in een wat rustiger vaarwater. Toen kwam namelijk een eind aan het politieke gezag van Groningen over buiten haar eigenlijke grondgebied gelegen delen van de provincie en aan de stedelijke voorrechten, waaronder het zo vaak aangevochten stapelrecht. De onafhankelijkheid van Nederland in 1813 bracht Groningen geen spectaculaire opbloei. De gerichtheid van de provinciale bevolking op de stad bleef voor vele stedelingen de basis voor hun welvaren. Een deel van de Groningers verarmde en verpauperde echter in de l9e eeuw. Van grootscheepse industrialisering was geen sprake, maar er kwam wel een brede ontwikkeling op gang: een aantal ondernemingen kwam tot bloei, zoals de uitgeverijen, de suiker-, rijwiel- en de confectieindustrie. De handel in koren en hout ontwikkelde zich zodanig, dat Groningen zich ten slotte de derde handelsstad van Nederland mocht noemen. Het verkeer met "Holland" werd door de in 1870 gereedgekomen spoorweg naar het zuiden intensiever, maar voor echte Groningers bleef "Den Haag" nog lang verre werkelijkheid. Pogingen om ook de grote(zee)handelsvaart naar Groningen te halen, mislukten echter, ondanks de nieuwe weg naar de zee in 1876, het Eemskanaal. Uitbreiding De Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) toonde aan dat de vesting militair had afgedaan. De Vestingwet van 1874 maakte het mogelijk de wallen te slechten. Dit gebeurde al spoedig. Op de vrijgekomen terreinen was ruimte voor de bouw van riante herenhuizen, singel- en parkaanleg en voorzieningen als een nieuwe veemarkt en een nieuw academisch ziekenhuis. De woningbouw, al voor 1874 op bescheiden wijze buiten de wallen begonnen, nam vooral na de Eerste Wereldoorlog een hoge vlucht. Uitbreiding van het stedelijk grondgebied was noodzakelijk en daarvoor moesten Hoogkerk en Haren delen van hun gemeentelijk territorium afstaan. Na de Tweede Wereldoorlog, die Groningen als gevolg van bevrijdingsgevechten een deel van zijn binnenstad kostte, is de stadsuitleg in versneld tempo voortgezet hetgeen leidde tot de annexatie van de gemeenten Hoogkerk en Noorddijk in 1969. Sedertdien behoren de dorpen Hoogkerk, Leegkerk, Noorddijk, Middelbert en Engelbert tot de gemeente Groningen. Uitgestrekte nieuwe woonbuurten verrezen na 1945 (de wijken Laanhuizen, Grunobuurt, Corpus den Hoorn, De Wijert, Coendersborg, Selwerd, Paddepoel, Vinkhuizen, Leeuwenborg, Hoogkerk, Beijum, De Wijert-Zuid, Ulgersmaborg, Hoornse Meer, Hoornse Park, de Hunze, de Held, Ruischerwaard; Buitenhof, Ruskenveen en Zilvermeer en nog steeds groeit Groningen.